Jan 2015

Je suis ou je ne suis pas...c'est la question...

'#JesuisCharlie'. Vrijwel direct na de eerste berichten over de aanslag op de spotprentuitgeverij verscheen deze tekst met hashtag op twitter. De steunbetuigingen aan de slachtoffers waren enorm en wereldwijd.
Een indrukwekkende week vol saamhorigheid volgde.

En steeds moet ik denken aan de woorden van Kenneth Cloke, een mediator uit Amerika die mij leerde dat 'haat daar ontstaat, waar je niets van jezelf in de ander herkent'. Hij kan het weten, hij heeft haat van de Ku Klux Klan van heel dichtbij meegemaakt. Hij heeft een paar jaar nodig gehad om die ingrijpende gebeurtenis en zijn eigen gevoelens van haat en wraak te verwerken. Daarna heeft hij besloten in zijn leven te blijven zoeken naar de dialoog. Ook en juist met mensen waar je met je pet niet bij kan dat zij tot zoiets weerzinwekkends in staat zijn. Zo weerzinwekkend als bijvoorbeeld de aanslag en de gijzeling in Parijs vorige week. Oók dan.

Als wij als omstanders-op-afstand duidelijk willen maken dat we het niet eens zijn met dit geweld tegen de vrijheid van meningsuiting betekent dat niet automatisch dat we het wel eens met de ander zijn. Maar durven we nog wel te bekritiseren wat de spotprenten verbeelden zonder bang te zijn gelijk te worden gesteld met de geweldenaars? Of is die vrijheid van meningsuiting beperkt door wat de massa uitspreekt?
Durven we ons af te vragen waardoor iemand zo'n woede of machteloosheid heeft gevoeld dat hij of zij tot zoiets in staat was? In hoeverre is dit vergelijkbaar met de pester die in elkaar geslagen wordt door degene die hij pest omdat hij de eindeloze bruuskering zat is?

Ik ken de spotprents en de motivatie van Charlie Hebdo onvoldoende om te durven zeggen: 'je suis Charlie'. Ik hou van spotprents, van zelfspot, van met een knipoog naar de wereld kijken. Mogen zij grenzeloos tekenen wat ze willen? Voor mij is duidelijk dat geweld op geen enkele manier een oplossing dichterbij brengt. Soms is geweld echter een antwoord van machteloosheid of onmacht.
Het gebruik van grof geweld maakt het werkelijk luisteren vrijwel onmogelijk, laat staan het horen van de eigenlijke boodschap, een roep om respect voor hun profeet. Ik denk niet dat we toegeven aan geweld van de een als we de daden van de ander, in dit geval Charlie Hebdo, kritisch blijven bekijken. Als we in vrede willen samen leven, moeten we met elkaars levensovertuigingen rekening leren houden, of het nu gaat om vrijheid van meningsuiting of om vrije keuze van geloofsovertuiging.

Wanneer gaat een grap ten koste van een ander? Waar ligt de scheidslijn tussen respect en vrijheid van meningsuiting? Pas sinds een jaar, per 1 februari 2014, is bij ons in Nederland is godslastering niet meer strafbaar gesteld bij wet. Zo vreemd is het dus niet dat godslastering - van welke geloofsovertuiging dan ook - als bijzonder kwetsend kan worden ervaren.

Ik heb de tekst van Cloke ook vaak andersom gebruikt: 'daar waar je iets van jezelf in de ander herkent, ontstaat liefde'. Liefde in ruime zin: een vorm van verbondenheid. Niet gehoord worden is een voor ons allemaal herkenbare frustratie. Mediators komen het in vrijwel ieder conflict tegen.
Houdt onze vrijheid van meningsuiting ook in dat als dat recht geschonden wordt, we dezelfde mening mogen hebben die de geweldenaars ook hadden zonder het geweld goed te keuren? Of word je dan in het vak van de vijand geplaatst?
Het recht op vrije meningsuiting behoudt zijn waarde als je naar de ander luistert.